HET UNIVERSUM VAN JEUGDAUTEUR NICO DE BRAECKELEER
WELKOM OP JUPITER

 

BLOEDMAAN

 

 

 

ALGEMENE INFO

'Bloedmaan' is na 'Skelettendans' en 'De Halloweenbaby' het derde bloedstollende griezelboek van Nico De Braeckeleer. Net zoals in 'Skelettendans' is het hoofdpersonage in dit jeugdboek junior monsterjager Toby Flemming, maar beide boeken kunnen los van elkaar gelezen worden. Ann De Bode ontwierp ook de cover van dit griezelboek van Nico.

 

STEEKKAART

 
     
 

Auteur:

Nico De Braeckeleer
 

Uitgeverij:

Abimo Uitgeverij
 

Cover & illustraties:

Ann De Bode
  Vormgeving: Marino Pollet
 

Genre:

Griezel
  Datum verschijning: oktober 2006
 

Uitvoering:

hardback
 

Formaat:

22,2x14,5 cm
 

Omvang:

112 blzn.
 

Prijs:

€ 12,50
 

Leeftijd:

10+ (8-13 jaar)
 

ISBN:

90-59323-13-0

(terug naar 'menu BLOEDMAAN')


KORTE INHOUD

De man viel neer, kronkelend van de pijn. Op zijn hele lijf groeiden haren. Zijn voeten vormden zich net zoals zijn handen om in snijdende klauwen. Zijn hoofd spleet in tweeën door een enorme druk van binnenuit. De linkerhelft en rechterhelft vielen van zijn schouders. Uit de bloederige nek dook een gigantische wolvenkop op met een spitse muil en vlijmscherpe tanden. De onaardse ogen van het schepsel lichtten geel op in de duisternis.
De gestalte, half man, half wolf, richtte zich op en huilde naar de maan.

November. Volle maan. Bloedmaan. De maan van het bloed van de dieren die hun leven hebben gegeven voor de jacht. Een tijd voor magie, en het eren van alles wat gestorven is.
Maar sommige duistere figuren die 's nachts op aarde rondsluipen zijn onsterfelijk. Ze volgen de lokroep van de maan en vallen mensen aan.
Toby, Hans en Ilke staan voor de onmogelijke opdracht om deze bloeddorstige weerwolven te vernietigen.


(terug naar 'menu BLOEDMAAN')



FRAGMENT

Fragment uit het derde hoofdstuk van 'Bloedmaan'.

Een volmaakte duisternis hield het bos in haar greep. De bosdieren hielden hun adem in, bang dat het massieve zwart hen zou opslokken als ze ook maar een geluid durfden maken.
Opeens flakkerde er een vuur op in het midden van het bos. De dreigende duisternis week achteruit zodat een deel van de dieren opnieuw kon ademhalen. Veel te laat beseften ze dat dit vuur nog veel duisterder was dan de donkerte. De alles verterende vlammen joegen wild om zich heen. Het was een wonder dat de omringende planten en bomen geen vuur vatten. De brandende houten stokken hielden het vuur op mysterieuze wijze aan zich geketend, zodat het niet oversloeg op de bomen.
De bosdieren renden weg van het vuur.
Een grote ketel werd op het vuur gezet, waardoor het aan kracht verloor. De vlammen likten ijverig aan de zwarte pot, maar hadden niet meer het vermogen om de omgeving af te tasten. Ze hadden nu nog één doel: de ketel en de vloeistof die daarin zat, opwarmen.
De vluchtende dieren werden bevangen door de geur van de vreemde kruidenmix in de vloeistof en bleven voor dood op de grond liggen.
Een naakte volwassen man stond naast de ketel en snoof het aroma op. Ook zijn brein werd aangetast door de geur van de kruiden. Waggelend slaagde hij erin om met een dikke stok in de bosgrond een grote cirkel rond zichzelf en de vuurketel te trekken. De cirkel was allesbehalve perfect cirkelvormig, maar dat deerde de man niet. Hij balde zijn handen tot vuisten en klopte op zijn behaarde borstkas, waarna hij huilde als een wolf. Hij bukte zich, ging bijna tegen de grond, maar slaagde er toch in om weer overeind te kruipen. In zijn hand hield hij een glazen pot, gevuld met een witte smurrie, die leek op zonnebrandzalf, maar enorm stonk. Het was het vet dat hij uit de lijfjes van dode katten had gepuurd. Hij smeerde zijn hele lichaam in met het vet. Hij begon met zijn gezicht en eindigde met zijn voeten.
De man viel op zijn knieën. Even leek het alsof hij het bewustzijn had verloren, maar toen hij zijn armen ophief en de handpalmen naar de hemel richtte, was duidelijk dat hij die knieval opzettelijk had gemaakt. De man begon vervolgens enkele vreemde zinnen te prevelen.
'Heil, heil, heil, Grote Wolfsgeest, heil!
Eén gunst vraag ik u, gij machtige schim,
In de kring die ik trok van hier tot in de kim,
Maak mij een weerwolf die sterk is en stout,
De doodsangst voor ieder die jong is of oud,
Geef mij dan een lichaam dat lang is en slank,
Met de klauw van een beer, groot is dan mijn dank,
Het gif van de slangen en de list van de vos,
De vaart van de wolf en de kracht van een os,
De bek van de tijger, de tand van de haai,
Het oog van de kat en ook net zo taai.
Maak mij een weerwolf, een eter van mannen!
Maak mij een weerwolf, een eter van vrouwen!
Maak mij een weerwolf, een eter van kinderen!
Ik smacht naar bloed, mensenbloed!
Geef het mij! Geef het mij vannacht!
Grote Wolfsgeest, geef het mij en
Mijn hart, mijn lichaam en mijn ziel zullen u toebehoren.'
Nadat de man deze spreuk had opgezegd, begon hij plots te krijsen en wild om zich heen te slaan, alsof hij werd aangevallen door onzichtbare wezens. Hij viel neer, kronkelend van de pijn. Vloekend en tierend schreeuwde hij om redding, maar niemand kwam hem verlossen. En toen begon zijn uiterlijk te veranderen. Eerst haast onmerkbaar, maar stilaan zichtbaarder. Zijn spieren spanden zich op, alsof zijn lichaam weerstand bood tegen de gedaanteverwisseling. Maar tevergeefs. Op zijn hele lijf groeiden haren. Fijne haartjes, die steeds dikker werden, tot een bruinzwarte vacht hem helemaal bedekte. Zijn romp werd magerder en gespierder. Zijn benen werden langer. Zijn voeten vormden zich net zoals zijn handen om in snijdende klauwen. Zijn hoofd was nog steeds dat van een mens, maar spleet in tweeën door een enorme druk van binnenuit. De linkerhelft en rechterhelft vielen van zijn schouders. Uit de bloederige nek dook een gigantische wolvenkop op met een spitse muil en vlijmscherpe tanden. De onaardse ogen van het schepsel lichtten geel op in de duisternis.
De gestalte, half man, half wolf, richtte zich op en huilde naar de maan. De bomen weerkaatsten de schreeuw. De echo stierf pas na een eeuwigheid uit.

~

Toby, Ilke en Hans stapten samen zwijgzaam huiswaarts. Hun gedachten waren bij de weerwolven.
De tieners bleven geschrokken staan toen uit het bos honderden dieren kwamen gehold, gekropen en gevlogen. Fazanten, eekhoorns, konijnen en zelfs enkele vossen en een hert stoven de straat over. Een auto die kwam aangereden, claxonneerde aanhoudend alsof de dieren voor hem uit de weg zouden gaan. De remmen brachten de auto krijsend tot stilstand. De bestuurder staarde geschrokken naar het tafereel.
Ilke keek opzij.
'Een bosbrand?' vroeg ze zich hardop af.
'Of weerwolven?' wierp Hans op.
'We kunnen ons beter uit de voeten maken', besloot Toby.
Ondanks zijn stoere houding, ging Hans meteen akkoord. Toen ze voorbij de landerijen van boer Coppieters liepen, hoorden ze de schapen luidruchtig mekkeren. De dieren holden chaotisch door elkaar.
Toby merkte als eerste de schimmige figuur op die voorover gebogen tussen de bomen, varens en planten liep. Hij werd af en toe verlicht door de maan die vanachter het donkere wolkendek kwam piepen. Zonder ook maar een seconde te aarzelen sprong de schim over de omheining van Coppieters.
Voor één van de tieners kon reageren, had de figuur zich al op een schaap geworpen. Toby snelde als eerste naar het wezen toe. Het was een groot mager monster, half mens, half dier, met lange benen en poten en klauwen als van een wolf. De spitse bek was gevuld met ongenadige, puntige tanden. De enigszins schuinstaande ogen gloeiden als fakkels in het donker. Een weerwolf!
De weerwolf pakte het schaap bruut tussen de klauwen en wilde het in de kop bijten. Maar dat was buiten Toby gerekend. Toby haalde zijn magische discusschijf uit zijn broekzak en gooide ze naar de weerwolf.

(terug naar 'menu BLOEDMAAN')

(terug naar 'menu BOEKEN')